16. D of t op het einde van een woord of woorddeel


beleefd benieuwd levend reuzenrad dringend misdaad schoolhoofd
gebied onbekend vliegend felrood razend voortdurend brandwonden
hardste hoofdprijs raadsel razendsnel held rechterhand





17. Ou, -(e)rig(e), -(e)lig(e), -lijk


bouwden goudmijn houten ijskoude mevrouwen oerwoud ouderwets trouw tuinkabouter vasthouden
akelige griezelig stekelig ijverig overige slaperig
hopelijk afzonderlijke gevaarlijk tamelijk





18. Eind d, au, -em, -ond


applaus benauwd klauterde nauwelijks nauwkeurig pauze wenkbrauwen
bezem bodem stiekem adem avond vanavond
bevriend bedtijd donkerblond onbewoond platteland stomverbaasd woedend





19. Cht na een korte klank (Uitzonderingen: ligt, legt, zegt)


gebracht gezocht kustwacht verkocht middernacht zoektocht opgelucht
terecht achterkant prachtige zichtbaar rechterkant krachten reusachtig
mochten voorzichtig opdrachten wachters juichte vacht





20. Ui, -ig, -lijk


besluit gemeentehuis kruiken onweersbui ruimte rusthuis schuiven
uitgeput uitgevonden uitvoeren jarig gelukkig eeuwig triestig vijfentwintig
onmogelijk smakelijk werkelijk dagelijks vreselijks