1. Ei, au, aai, ooi, oei, eeuw, ieuw, uw


eiland meisje reizen verdwijnen altijd dikwijls
klauw snauwde augustus schouder bouwen vrouwtje
nieuws schreeuwde duwt schaduw uw prooi lawaai moeite





2. ch of g, cht of gt


lentedag jaagt rugzak vliegveld leerling droeg
aandacht glimlach dochtertje kachel
dankbaar betalen sturen geweren oktober bibberen kanonnen spelletje babbelen knuffel





3. -ig en -ige


aandachtig mistig verdrietig bezig zenuwachtig moedig droevig
ongelukkig verkondig(en) grappig stevig toevallig gelukkig vorige
hevige zonnige onschuldige prettige rustige haastig





4. ei of ij


eigenlijk eilanden eindigt geheimzinnige leiding scheiden weinig
bereikt heilig eindelijk paardrijden stokstijf tijdens
woestijn tegelijk lijkbleek onderwijs spijtig belangrijkste bewijzen





5. ei of ij, -ig, -elen, -eren, enen


bekijken leeftijd medelijden ontwijken ravijn strijd tevoorschijn wijk
giechelen hersenen naderen veranderen
aardig lastig ernstig geweldig nodig enige reusachtige sommige